Stoppen op je hoogtepunt

“Weet je zeker dat je met mij wilt spreken? Ik heb veel gedaan in het roeien maar helaas nooit Varsitygoud gehaald.” Dat waren de eerste woorden die uitgewisseld werden. Toch was het zeker, want op zo’n jonge leeftijd de Olympische Spelen bereiken, dat is iets bijzonders. Twintig jaar nadat de gemiddelde laatbloeier begint met lopen, behaalde Jochem Verberne al een Olympische medaille. Zilver in Sydney, ruim twintig jaar geleden.

Het roeigevoel
Geboren in 1978 – als zoon van een roeister van Het Spaarne – was het eerste contactmoment met de roeisport onvermijdelijk. Het Spaarne had toentertijd al een florerende jeugdafdeling, en was tevens een vereniging waar veel kinderen van zijn middelbare school ook actief roeiden. Er waren zelfs enkele schoolgenoten met wie hij tot zijn studententijd kon blijven sparren. Vrijwel meteen was Jochem verknocht aan het roeien. Bij de eerste wedstrijd die hij startte, de Heineken Roeivierkamp in 1993, zag hij de heren van de Holland Achtrondlopen op hetzelfde terrein. Een inspiratiebron die in bijna bij geen enkele sport geëvenaard wordt. Voor hem zelf was het roeien een sport van verscheidene vormen. In de skiff kon hij zichzelf bewijzen, maar met een ploeg kon hij samen doelen bereiken. Nooit er tussenuit piepen, altijd je eigen bijdrage leveren. Het gevoel verandert wel door de jaren heen: “Succesvol zijn heeft zijn invloed, ik kreeg kansen die ik van tevoren nooit bedacht had. Alles was eigenlijk ongepland, van het behalen van de eerste nationale titel tot het roeien in de oranje pakjes, laat staan de Olympische Spelen.”

Delftse jaren
‘Hectisch’ is het eerste woord wat Jochem noemt om zijn studiejaren te omschrijven, maar na een korte stilte verbetert hij zichzelf. “Nee, ik zat met dertien man in een jaarclub, elf gasten deden dezelfde studie. Dankzij hen heb ik mijn studie gehaald. Zij
gaven mij een seintje als ik bijvoorbeeld in Amsterdam verbleef, maar op de TU verwacht werd voor een handtekening om
een practicum te halen. Dan haastte ik me snel terug. Of zij faxten mij de materialen
die ik nooit had kunnen krijgen vanaf de plekken waar ik was in de wereld. Zonder
hen had ik het nooit gehaald.” Al moet hij dat ‘halen’ relativeren. Eenmaal terug van
de Olympische Spelen had hij namelijk de helft van zijn eerste vier jaar gehaald, terwijl hij in zijn vijfde jaar zat. Zo kreeg hij, de ochtend na zijn huldiging, nota bene op de TU zelf, van zijn professor de vraag of hij wel helemaal lekker was om na zo’n lange
afwezigheid om een herkansing te vragen.

De Olympische huldiging ging gepaard met een surrogaat kroegjool. Een eigen échte
kroegjool heeft hij nooit gehad, alhoewel hij in 1998, 1999 en 2001 serieuze pogingen heeft gedaan. Iedere poging werd ‘beloond’ met
een derde plek, maar in zijn eigen woorden:
“Als je de Varsity niet wint, dan heb je gewoon verloren.” Zijn mooiste herinnering uitde studententijd is de winst van Laga in zijn
eerste jaar en hij kan niet wachten op de volgende jool, waar hij gegarandeerd bij zal zijn.

Vertrouwen
Het zilver op de Olympische Spelen is niet zijn meest memorabele winst. Na lang twijfelen kiest hij de Nederlandse Kampioenschappen in de twee-zonder met Diederik
Simon eind jaren ‘90. Terwijl ze aan het scullen waren, wilden ze een uitstapje doen
naar het boordroeien. Dat uitstapje was een wedstrijd tegen de selectie van de Holland Acht. “Diederik fluisterde: “Jochem, vooral
heel hard starten en kijken of ze onder de indruk raken.” Met tempo 36 vlogen we de
baan over en haalden we met 4 of 5 bootlengtes de overwinning.” Elkaar zó goed
aanvoelen en de boot zó goed laten lopen, zorgen ervoor dat Jochem de hele race geen
vermoeidheid of pijn voelde.

Die partner, Diederik Simon, had op dat moment al Olympisch goud op zak, maar
zorgde ervoor dat de jonge Lagaaier een onwijs gevoel van vertrouwen kreeg. “Twee jaar voor de Olympische Spelen kwam Diederik naar mij met een plan om de Spelen te halen. Hij geloofde in mij en in
onze combinatie. Natuurlijk keek ik tegen Died op, hij was acht jaar ouder en had
al Varsitygoud en Olympisch goud. Maar we bleken elkaar feilloos aan te voelen
binnen en buiten de boot. Met coach Rick van Hooydonk hebben we heel de winter
kneiterhard gebuffeld met onorthodoxe trainingen. Ik denk dat we velen hebben
verbaasd toen we in het seizoen de snelsten bleken.” Het vertrouwen van Diederik,
en andere roeiers, had Jochem in de jaren ervoor afgedwongen door op de belangrijke momenten te presteren, ook al was hij
niet de grootste of de sterkste. De ene kans creëert de andere, mits je jezelf van je beste
kant laat zien.

De zilveren ploeg
De dubbelvier voer vanaf moment één hard. Op de eerste World Cup eindigden ze
slechts drie tienden van het wereldrecord. De ploeg had de gave om eindeloos te roeien, met bizarre snelheid zonder technisch in te leveren. Toch kon het buiten de boot enorm knetteren. Het heeft een haar gescheeld of de ploeg was uit elkaar geklapt.
“Neem vier alfamannen met hun ego’s onder volspanning. Wat dat oplevert, daar kan je een heel Varsity Magazine over volschrijven. De Olympische finale was heel spannend, veel geluid vanaf de kant. Toch voeren we vooral onze eigen race. We hadden de laatste 150 meter om de Duitsers, de regerend kampioenen, te pakken. Dat lukte. Het was van tevoren natuurlijk wel bedacht, maar doe het maar onder zo’n druk. Dat zoiets dán lukt, is een heel gaaf gevoel. ”De Italianen wonnen goud, maar achteraf bleek dat zij vrijwel zeker aan de doping zaten. Doordat er geen juridische grond was,
liep het af met een sisser. Maar het gaf aan het begin verwarring en sommige mederoeiers vonden het moeilijk te verkroppen. “Ik vond het geweldig om tegen die ploeg te roeien, ze waren al het hele seizoen beter. Die race roeide ik om alles eruit te halen, dat heb ik gedaan. Desalniettemin hoop ik
wel dat ze niet aan de doping zaten. En anders dat ze er mee kunnen leven.”

Het leven na de boot
Na de Spelen werd er nog één serieuze poging voor de Varsity gedaan, maar Sydney
was het einde van topsport. “Het is voor mij niet erg om onverwacht te stoppen, als
het maar op een hoogtepunt is. Je leeft ook in het gevaar om jezelf heel wat te vinden in een hele kleine bubbel. Ik hoefde geen legende te worden.” Zo zocht hij de uitdaging om op andere vlakken te excelleren: eerst studie en daarna werk. Direct na zijn roei-jaren werd hij de voorzitter van de Atletencommissie van NOC-NSF. Als één van de wereldwijd directeuren van het Wereld Natuur Fonds creëert hij niet geheel toevallig het ‘Clean Water Partnership’ met de roeibond FISA. Tevens heeft hij zijn eigen bedrijf waarbij de digitalisering van de sport centraal staat, waarmee in 2020 ook een roei-app voor de KNRB gelanceerd werd.

“Het is een cliché om te zeggen dat roeien je vormt, maar het heeft te maken met de
sport zelf en het karakter. Met zijn allen er vol voor gaan, elkaars zwaktes accepteren.
Dat zijn levenslessen waar je altijd wat aan hebt.” Nog steeds is er veel waardering
voor de coaches die hem gevormd hebben. Bijvoorbeeld Jan Klerks: “Een fenomenale trainer, onmisbare coach. Met oprechte
bescheidenheid staat hij nooit op de voorgrond. Zo was hij op het Olympische erevlot niet te zien, maar al roeiend naar het
botenterrein zagen we hem daar staan te wachten. Met onze schoenen…” //